Kapper Van der Vliet


Kapper Van der Vliet
©: Annie Bremer

“Zijn er geen oudere Nijtsjerksters die eerder in beeld komen voor “Op ‘e kofje” dan wij?”
Dat was de vraag die kapper Van der Vliet mij stelde in november 1994 toen ik hem vroeg of hij en zijn vrouw “slachtoffer” konden zijn voor het gesprek voor De Doarpsskille.
Toen ik hem er op wees dat wanneer men al 43 jaar in het dorp woont, men daar als kapper veel onder de mensen is, zitting heeft gehad in allerlei besturen, dat men dan niet meer wordt beschouwd als import, toen moest het gesprek maar plaats vinden.
Zodoende kwam ik om acht uur ’s avonds de eerdere winkel op de hoek van De Buorren en Foeke Sjoerdsstrjitte binnen.
De toonbank en de artikelen zijn verdwenen, maar de kappersstoel stond er nog wel.
“Ja, zo nu en dan knip ik nog wel eens iemand, dus die stoel kan ik nog niet missen”.
De salon is omgebouwd tot slaapkamer, maar het eerdere ‘klompenhokje’ (men kwam de salon niet binnen door de winkel, maar door het groen geverfde klompenhokje welke tussen de huizen van Van der Vliet en Wessel Dijkstra in stond) is er nog altijd.
“Ik ben 73 jaar geleden geboren in Witmarsum (zo steekt Anne van der Vliet van wal). Niet dat ik daar nog veel van weet, want al vrij snel verhuisden we naar Easterein. Vader was arbeider bij de boer en in die tijd was het gewoonte dat arbeiders vaak verhuisden, ons gezin wel zes keer. Dat gebeurde meestal op ‘Alde Maaie’, op 12 mei. De wegen waren dan vol van arbeiders die met paard en wagen van de boer naar een andere plaats gingen. ’s Morgens molken ze nog bij de oude boer, daarna moest alles worden overgebracht (zo veel had men toen niet) en ’s avonds molken ze al bij de nieuwe boer. Moeder moest maar zorgen dat de hele boel een plek kreeg. We waren thuis met z’n vieren. Ik was de oudste, dan kwamen mijn beide zusters Pytsje en Geartsje en onze Ulbe was de jongste. Ulbe noemt zichzelf nu Albert want hij woont in Canada en daar kan men de naam Ulbe niet zo goed uitspreken. Hij is direct na de oorlog  vertrokken en één van mijn zusters zit daar ook. Het is nu bijna 40 jaar terug en toen dachten we dat het een afscheid voor het leven was. Later zijn ze hier een aantal keren geweest en een paar jaar terug zijn wij daar ook geweest. Ja dat is allemaal veranderd, “tiden hawwe tiden”. 
Goede herinneringen heb ik nog aan Easterlittens, waar pake Ulbe woonde. Beppe was al overleden, tante zorgde voor pake. Als ik er dan kwam logeren, zat hij regelmatig te vissen aan de Bolswardervaart. Daar hebben we met heit ook wel gezeild. Wij waren geen goede zeilers hoor, dus toen er een harde wind opstak ging het flink tekeer, het bootje schommelde. Wij zouden de zeilen vastpakken, heit met zijn grote handen kon er bijna helemaal omheen, dus met moeite kregen we de zaak naar beneden. Dat had ook eenvoudig met een touw gekund, maar wisten wij veel. Het zijn wel mooie herinneringen aan heit. Later is heit een winkeltje begonnen, hij verkocht koekjes en koeken. Hij ging daarmee venten in de omliggende dorpen, eerst met de hondenkar weet ik nog, later met de bakfiets. “Van der Vliet, koek en biscuit”.
Foto  pake Fokke met bakfiets  
Foto  pake Fokke schaakt met Anne, Albert (12 jr) kijkt toe
 
Zelf heb ik toen ik met 14 jaar van school kwam, ook geholpen met venten, als oudste van het gezin moest ik helpen. Te voet van Easterein naar Itens, dan via Hinnaard naar Easterlittens, door naar Baard en Winsum en via Spannum en Wommels weer naar huis. Daarna was ik doodmoe, kan ik je vertellen. Meestal moest ik dan zaterdags nog grote bestellingen van twee koeken, zeven cent elk, naar een boer brengen die ver buiten het dorp woonde. Je had maar te gaan, zin of geen zin: voor 14 cent dat hele stuk lopen. Heit verdiende er misschien twee cent mee. Ik denk niet dat je de huidige jeugd zo gek krijgt.
Toen ik 15 jaar was kwam kapper Veldhuis van Wommels bij heit. Hij zei: Mijn zoon is kapper in Ternaard en die kan wel een jongen daar gebruiken, hoe zit het, kan die zoon van jullie daar niet heen?
Daar werd wat over gepraat en toen ben ik maar op de fiets naar Ternaard gegaan en kwam zo in het kappersvak terecht, als ‘jongste bediende’. Ik kreeg de kost en twee kwartjes als loon. Daar moest ik zes dagen per week voor werken en om de veertien dagen mocht ik zaterdagsavonds wat eerder stoppen, rond acht uur, dan kon ik nog op de fiets naar huis. Ik was dan tegen elf uur thuis.  
Twee kwartjes per week was niet veel en ik was een keer in de kerk toen ik twee centen uit mijn zak zou halen om in de collectezak te doen, tot mijn verbijstering had ik mijn twee kwartjes erin gedaan: mijn hele weekloon in de collectezak!!
Het tarief was in die tijd (1938-1939) een dubbeltje voor het (kaal) knippen en een dubbeltje voor het scheren.
Vaste klanten hadden een kaart en na tien keer scheren, mocht je een keer gratis knippen. Dominee Hoekstra gaf mij eens vijftien centen en dan tikte ik aan de pet en zei: “Dank u wel dominee!” Zo’n week had ik dan 55 cent! 
Daar heb ik ook voor het eerst een briefje van 100 gulden gezien.
De boeren in Ternaard hadden in de kapperszaak anders geen praat dan over “mond-en-klauwzeer”. Dat ging rond en daar werd flink over geklaagd, dat weet ik nog. Ook al is het zestig jaar geleden. Eén van die boeren betaalde met een briefje van honderd dus zo slecht hadden ze het nog niet: honderd gulden en dan ik met mijn twee kwartjes!
Ik was twee jaar in Ternaard, toen ik ischias kreeg. Dat betekende in die tijd liggen. Zes weken in bed thuis in Easterein. Daarna ben ik naar een kapper in Drylst gegaan. Daar was ook een damessalon bij en in die tijd kwam het permanenten op. Dat was iets nieuws en van kapper Schumacher, eerder dè zaak in Ljouwert, werd verteld dat hij moest uitleggen wat permanent betekende, dan zei hij: “dat blijft eeuwig”. Nou was dat in die tijd  ook zo met permanent. Het haar werd gekookt, gebakken en gebraden! Het werd er met elektrische stroom in gedaan. Sommige vrouwen hadden weleens de schroeiplekken op de huid, anderen kregen bijna rood haar, zo’n “permanent” kwam het erin.
Ik heb zelf trouwens nooit vrouwen geknipt, later kreeg ik daar wel spijt van, maar toen was het al te laat. In Snits en Ljouwert zat ik op de kappersvakschool en mijn diploma’s haalde ik in Ljouwert (gezel) en Groningen (meesterkapper).
In Drylst leerde ik Richtsje kennen. (nu neemt vrouw Van der Vliet het woord over): “Ik ben in Drylst geboren. Heit werkte daar bij Nooitgedacht, de schaatsfabriek. Heit stond bij de schuurmachine. Daar was altijd veel stof, maar heit kon geweldig pruimen en raakte zo veel stof kwijt! Wij waren thuis met z’n tweeën als kinderen, mijn oudste zus en ik. Ik kon wel goed leren op de lagere school en zou eerst naar de MULO. Er was een heel groepje dat daar mee naar toe kon, maar toen bleven er veel zitten en zou ik alleen naar Snits moeten. Daar had ik geen zin in en bleef daarom het zevende en achtste jaar nog op de lagere school. Daarna werd ik dienstmeid bij een bakker, een dominee enz. Dat ging toen zo met meisjes.
Het was oorlogstijd en dus moeilijk om een kapperszaak te beginnen. Na de oorlog keek ik vaak rond, in Heilo, Apeldoorn en Ljouwert. Maar dan was het niets, of weer te duur, tot er in Nijtsjerk een kapperszaak vrij kwam. Jabik Kingma, een broer van Haike, wilde met zijn gezin naar Canada en had zijn zaak te koop. Ik ben daar naar toe gegaan om te kijken, Richtsje en ik wilden eigenlijk ook wel trouwen, we hadden al tien jaar verkering, dus gingen we vrij snel akkoord. Kingma zou in mei vertrekken, maar bleef nog een maand langer, er was iets met de boot of zo. Het werd dus weer bij iemand in de kost en daar had ik flink genoeg van. Al bijna veertien jaar bij een ander aan tafel, ik wilde een eigen huishouding, dus toen ik de tweede week thuis kwam zei ik tegen Richtsje: “Je gaat maar mee hoor, Kingma heeft nog wel een klein kamertje over. Zo hebben we nog twee weken bij Kingma in gewoond.
Jabik Kingma vroeg toen 55 cent voor het knippen, maar ik ben met 65 cent begonnen. Het scheren kostte een kwartje. Een fooi was toen geen gebruik. Je kon er van alles aan doen, lekker ruiken en zo, maar de mensen gaven wat het koste, niets meer. Dat hoefde natuurlijk ook niet, maar een extra verdienste was er dus niet bij. Wybren de Vries, zoon van Eibert “slachter” was “ynsjipper” bij ons, in het begin hele dagen, hij deed de scheerzeep op en dan scheerde ik, terwijl hij de volgende weer zeepte. Als ik klaar was, spuitte hij de klant af, hielp ze in de jas en zeepte weer de volgende. Dat ging soms hele dagen zo. Als het druk was, zat het hier smoorvol. De lange banken zaten vol en soms moesten er nog stoelen bij gezet worden. Dat heeft ook wel eens klanten gekost, want dan vertrokken ze als ze dit zagen. 
Daar kwam nog bij dat dokter Dekker in die tijd voorrang had. Toen kapper Kingma vertrok zei hij: “Dokter Dekker heeft hier een abonnement, hij komt vier keer per week te scheren en betaalt 100 gulden per jaar, het knippen betaalt hij apart. 
Die 100 gulden betaalt hij je niet, maar hij zorgt voor het brandhout in de salonkachel. Een andere voorwaarde van dokter Dekker was dat hij voorrang kreeg. Als hij dan binnen kwam was hij ook aan de beurt, waar mensen uit andere dorpen zich aan stoorden. Hij zeepte zich ook wel zelf in, ik scheerde en hij kon weer weg. Het kwam ook wel voor dat hij met het hoofd vol scheerschuim weggeroepen werd, dan had dokter weer een karweitje.
In die tijd hadden veel klanten eigen scheerspullen bij mij in de salon staan. Ik had er een aparte kast voor, die stond bijna vol met spul van klanten. Men kwam meestal twee keer per week, vaak woensdag en zaterdag, dan pakte ik hun eigen gerei, scheermes, zeep, kwast en kom. Omdat werklui het overdag vaak druk hadden, kwam het regelmatig voor dat men ’s avonds in de scheerwinkel kwam. Zaterdags werd het helemaal laat, want dan waren we tot 10 uur open. Het werd ook wel eens later, want dan was het praatje nog niet af. Sommigen zaten al te knikkebollen “Laat mij maar eerst, want hij slaapt toch nog”, werd er gezegd. Ze sliepen ook wel in de kappersstoel en als ik dan aan de spuit toe was, schrokken ze wakker. Geknipt werd er meestal eens per maand.
Was er Avondmaal in één van de kerken dan kwam iedereen, want dat was gewenst. Dan was het druk.

Ik moet zeggen, het feit dat ik Hervormd was en mijn voorganger Gereformeerd heeft me in de kapperszaak geen scha gebracht. Er was ook geen concurrentie, maar ik geloof dat het simpele feit dat ik Hervormd was mensen niet weerhield om te komen. Toch keken ze in het begin wel raar op toen we met kerst in huis kaarsjes aan hadden, dat was men hier niet gewend. Het praatje ging toen: “Eerder hadden we een Gereformeerde kapper, maar nu hebben we vast een vrijzinnige. Later werd dat allemaal anders, Piters’ Ymk, vrouw Terpstra die toen de winkel van Tanja had, kreeg als eerste een kerstboom in de winkel en als je nu door Nijtsjerk loopt is er bijna geen huis zonder kerstboom.
Ik was een halfjaar in Nijtsjerk toen dominee Keller hier kwam met de mededeling dat ik als diaken was aangewezen. Dominee kon aan één stuk door praten, dat doe ik nu ook vanzelf, maar er was geen schijn van kans dat ik dat niet zou aannemen. Het werd het begin van een jarenlange zit in de kerkenraad, als diaken en later als ouderling.
De kleuterschool heb ik toen mee opgericht en later zat ik ook jaren in het bestuur van de grote school. Toen zaten er nog “autoriteiten” in het bestuur.
Als dokter Dekker of meester Wiersma een bepaalde mening hadden, dan was dat de waarheid en de nieuwelingen durfden er voor geen goud tegen in te gaan, we keken bij hen op. Yme Holwerda was ook zo’n figuur. Hij was in de oorlog hier verzetsheld geweest en wij kwamen niet zo lang na de oorlog, dus wij hadden eerst niet door waarom wij overal de naam van Yme Holwerda tegenkwamen.
De MIVON (MIddenstands Vereniging OosterNijkerk) had in die tijd ook een belangrijke plaats in het dorp. Er waren ook veel meer middenstanders dan nu. Alhoewel het de laatste jaren met OCO ook best gaat, maar wij hadden veel leden.
De MIVON is in 1949 opgericht en de belangrijkste actie was met Sinterklaastijd. Er werd een MIVON-krant uitgegeven en in alle zaken konden de mensen lootjes krijgen naar de hoeveelheid die ze besteedden. Om de drie dagen werden er prijsjes uitgeloot en dat gebeurde hier voor op straat. Doordat de tijden aangeplakt waren bij de winkels, stond de straat hier tjokvol. Dan klonk er natuurlijk een “jûchhei” als iemand een taart of zo won. De hoofdprijs werd door notaris Brons getrokken. Het bestuur kwam dan in de kapperssalon samen, dat was meestal de plaats van de samenkomsten van het bestuur (daar kon een luik open naar de zolder zodat de dichte rook van het sigaar roken, dat er dan nog hing, door het dakraam naar buiten kon!). Berga had als voorzitter de leiding en voor notaris Brons was er natuurlijk wel wat ‘onder de kurk’. Dat lustten wij zelf ook wel, dus als Brons kwam, meestal o zo laat, was de fles bijna leeg.
Geertje Jousma heeft eens een centrifuge gewonnen, maar bracht de prijs terug omdat er dan krachtstroom aangelegd moest worden, dat werd haar te duur. Een andere keer, het was al weet ik hoe laat, viel de hoofdprijs bij Jaap Dijkstra. Na een telefoontje naar Jaap werd het hele bestuur daar uitgenodigd om het bij Dijkstra te vieren. De prijs moest bij Jan Kooistra vandaan komen, die werd uit bed gebeld door zijn vader Boate Kooistra, en met het elektrische apparaat kwam het bestuur bij Dijkstra. Het was al de volgende dag dat ze terug kwamen.
Romke Adema, hij woonde toen naast Annesythia aan De Lyts Ein, liep de hele Lyts Ein voorbij, ja zelfs de kapper en Berga zou hij al voorbij lopen voor hij in de gaten kreeg dat hij te ver was. Het was wel meteen de laatste keer dat hij zo laat nog voor MIVON in het spier was.
Ik was meestal secretaris / penningmeester en ik zorgde ook voor de muziek.
Wij gebruikten meestal de bandrecorder van de kerk en ook de geluidsbanden. Het was in de tijd van de moord op Kennedy en wij draaiden wat “gewijde“ muziek op de banden van de kerk. Deze werden anders gebruikt om mensen die niet naar de kerk konden komen, toch een preek te kunnen laten horen. Toen kwam iemand de winkel binnen vliegen die raasde: “Weet u wel dat dominee Burghgraef aan het preken is!!“ De band was toen zover doorgedraaid dat er geen muziek meer op stond, maar een deel van de preek van die zondag!
De vossenjacht viel ook altijd erg in de smaak. Jong en oud deed dan mee. Eibert de Vries hadden ze snel in de gaten, maar naar Jan de Boer hebben ze lang gezocht. Die had het briefje met “ik ben de vos” niet gewoon in zijn zak, zoals gewenst, maar had deze achter het klepje van de zak en dan het klepje dicht.
Foto van het gezin
In de zestiger jaren ging de scheerwinkel zaterdagsavonds om zeven uur dicht. Richtsje had de kinderen dan in de zondagse kleren en wij stonden klaar om de zeven-uurs-bus te halen. “Ja, zegt ze, dan zag ik soms net voor zevenen een klant aankomen en dan dacht ik “och heden, als wij nu de bus maar halen!“ Om in Drylst te komen had men toen twee uur werk met het openbaar vervoer.
Later heb ik het rijbewijs noch gehaald, hier bij Jaap Kingma, dan huurden we weleens een auto, bij Van den Akker. De eerste keer had ik een grote Opel, dezelfde als dokter Dekker. Ik kwam van Mitselwier en dacht “als ik nu maar niemand tegenkom”, zo groot was die auto!
In de zestiger jaren werd het minder druk in de kapsalon, het was de tijd van de Beatles en daarmee het lange haar. De jongelui kwamen steeds minder in de zaak en de drukte nam af. Het werd een tijd van “schrapen” Je moet weten, Kingma had een damesafdeling, dat heb ik nooit gehad. Alleen van mannen knippen kon de zaak niet bestaan, daar was Nijtsjerk te klein voor.
Die vrouwenafdeling gebruikten wij in het begin helemaal niet. Daar waren drie boxen in, in die tijd zat elk in zo’n box want je mocht elkaar niet zien. Eén van die boxen gebruikte ik in de zaak voor wat tabak en parfumerie en zo. Dat werd langzamerhand wat uitgebreid en later hadden we van de eerdere vrouwenafdeling een parfumerie- en tabakswinkel gemaakt. Dat bracht weer wat geld in het laatje, nietwaar.
  Richtsje in de parfumerie en tabakswinkel 

Begin zeventiger jaren kon het eigenlijk niet meer en in 1972 kreeg ik de kans, via wethouder Gerrit Haaksma, om op het Streekarchief in Dokkum aan het werk te gaan. Na nog een tijdje bij het Administratief Centrum belandde ik bij de Parkeerpolitie. Dat was wat nieuws voor Dokkum, ja zelfs voor heel Fryslân. Ik ben met een politieagent op stap geweest en na zo’n zes lessen kon het beginnen. Nou daar heb ik wat beleefd, daar kan je wel een boek over schrijven. Voor ons was het een uitkomst, die vastigheid bij de Parkeerpolitie. Eerder was het zo, als er geen klanten kwamen, bijv. met een aantal dagen slecht weer, dan werd er ook niets verdiend. Maar dat was nu voorbij. Als zelfstandige moet je ook voor de meeste onkosten staan, dat is bij loondienst niet zo. Ik bleef op zaterdag nog wel knippen, dat wilde ik erbij houden. Ik was tien jaar bij de politie, van 1972 tot 1982, toen kon ik in de VUT. Het winkeltje hielden we aan tot 1988 maar dat werd op ’t laatst snel minder, we bleven er ook niet altijd voor thuis en hoe gaat zoiets, komt men een keer voor de dichte deur, dan is het al gauw “die winkel is toch dicht” en men gaat naar een ander. Dat was met het knippen ook het geval, als je alleen op de zaterdag open bent, komen er ook minder klanten, alleen de vaste, meest oude klanten houd je over. 
De meeste kinderen waren toen de deur ook al uit. Fokke, getrouwd met Richtsje Riewald, woont in Burgum. Hij is daar opzichter bij de gemeente.
Bauke woont in It Hearrenfean. Hij is getrouwd met Jannie Koers en werkt in het magazijn van de Scania’s (in De Jouwer en op It Hearrenfean). Trouwens wij hebben ook al zes kleinkinderen.
Albert woont nog thuis, hij is administratief medewerker van het SCOF (Stichting Christelijk Onderwijs Friesland) in Ljouwert. Piet heeft een flat in Groningen. Hij is afgestudeerd meester in de rechten, maar het slaagt hem maar niet om werk te vinden. Hij doet vrijwilligerswerk en studeert nog steeds. Het is al langer moeilijk om als academicus aan de slag te komen en de leeftijd begint ook mee te spelen.
Onze jongste is Rennie en die woont in Bergeijk in Brabant. Zij werkt als onderwijzeres aan een protestantse school en dat bevalt prima.
Voor ons wordt het hoe langer hoe stiller om ons heen, in de huishouding is het rustiger, de zaak is dicht. Mijn vrouw komt zoiets wel toe want ze kan moeilijk lopen, kort geleden is ze aan de heup geopereerd. Ik ben zelf nog wat op de gymnastiek voor ouderen en op de zangvereniging, daar blijf je wel jong bij.
Intussen heb ik mijn derde kopje koffie al op en wordt het tijd om naar huis te gaan. Als Van der Vliet mij door de winkel naar buiten laat, kijk ik nog even naar de kappersstoel met de zitplaats van rode skai. Wat zullen daar veel Nijtsjerksters op hebben gezeten. Als die stoel eens kon praten, wat zouden er dan een sterke verhalen te horen zijn, wat zou die stoel te vertellen hebben, nog meer dan de kapper zelf.
Foto   kappersstoel  

Reinder Tolsma, De Doarpsskille november 1994

© Tekst: Reinder Tolsma, vertaald Annie Bremer © Foto voorblad: Annie Bremer
Lees meer

Gerelateerde informatie


OnderwerpenFoto’s