Weidenaar Transportbedrijf
Een bedrijf dat lang geleden begon. De man die alles op poten zette was Eelze (van Jan) Weidenaar. Eelze trouwde in 1918 met Minke Kloostra. Tot 1918 zat hij in militaire dienst en was hij gemobiliseerd. Eelze zijn vader woonde toen op Ald Tún en daar kwamen Eelze en Minke bij in te wonen, kregen een kamer, twee bedsteden en een stoepje.
De Weidenaars hadden een soort loonbedrijf (fuormanderij), boeren helpen en mensen vervoeren naar bijv. Dokkum. Ze hadden een glazen wagentje met een groot paard ervoor voor het vervoer van personen en een vaste rit op woensdag naar de markt van Dokkum. Dat kon men op dinsdag doorgeven. Ook waren er ritten naar de tram van Dokkum, wat ᵮ 1,25 opleverde.
Later hadden ze twee wagens, een zwarte en een grote gele voor grotere gezelschappen of voor plezier, daar konden wel 20 man in.
In 1922 werd de eerste auto aangeschaft, een Fordje met een voorraam, bij de deuren aan de zijkanten was het open. Eelze wilde al eerder een auto, maar heit Jan wilde geen auto op het erf.
Tot 1927 woonde de familie op Ald Tún, toen verhuisden ze naar de garage aan De Buorren. Voorheen was op dit adres het kunstmestpakhuis van de Fa. Slagter en Zwart gevestigd.
In diezelfde tijd begon Eelze ook met de busdiensten, ongeveer 1925. Eerst een eigen busonderneming, de route stond vermeld op de bus. Wanneer Weidenaar het geld van de klanten in ontvangst nam was de reactie steevast "kuuu!" "Dank u" was in de loop der jaren nogal afgesleten vond hij.
Daarna had Eelze samen met L.T. Elzinga een busdienst van Peazens naar Dokkum. In 1922 reden de eerste bussen al, maar in 1928 komen we ze beide (voor het eerst) tegen in de Dockumer krant.
Gedeputeerde Staten geeft toestemming, maar ze mogen niet van Dokkum naar Leeuwarden of Birdaard – Leeuwarden, of Peazens – Buitenpost. Want meerdere ondernemers kregen ieder een deel. Zo kreeg Eelze vaste dagelijkse ritten, uitgezonderd de zondag.
In 1935 is zelfs bij Koninklijk besluit het beroep van E. Weidenaar ongegrond verklaard voor de busdienst tussen Easternijtsjerk en Holwert.
In 1936 vindt Weidenaar een compagnon in de fa. Holwerda van Eanjum. Ze gebruikten een gele bus en kwamen toeterend door het dorp (er waren geen bushaltes). Er waren vaak lekke banden door de slechte wegen en niet zoveel canvas in de banden.
In de oorlog kwamen de fietsen bovenop en moest een gasgenerator achterop worden geplaatst die met antraciet en houtjes werd gestookt, het berkenhout moest eerst gekapt en naar de grasdrogerij in Driezum. Voor een rit Leeuwarden had men 3-4 zak nodig.
Er waren toen drie bussen. Chauffeurs waren: Eelze Weidenaar, Hendrik Groen (Peazens), Marten Sijtsma (Peazens), Johannes en Easge Blom, Johan Pieper (bij nood), Rinse en Siep Postma, Wytze Rozendaal (was in de kost bij Eelze en Minke) en Joeke van der Werf (ook monteur).
Vlak voor de oorlog richtten verschillende bus-ondernemers, waaronder Weidenaar, de NOF op. Ze gebruikten rood-witte bussen. Sommige zijn in mei 1940 het IJsselmeer in gereden om ze uit handen van de Duitsers te houden. De NOF is later overgenomen door de Spoorwegen en zo verloor Weidenaar een deel van het werk. Het luxe vervoer bleef, verschillende grote auto’s Ford, Dodge en Oldsmobile werden gebruikt als taxi.
Een apart deel werd het personenvervoer naar de ziekenhuizen van Groningen en Leeuwarden. Een viertal auto’s waren hiervoor beschikbaar, de gewone taxi waar de achterklep omhoog kon en de zieke ingeschoven werd en een taxi waar wagenmaker Siebe Postma speciaal de carrosserie van ombouwde tot ambulance en een grote zes-persoons taxi. Menig inwoner van Easternijtsjerk werd met deze auto naar het ziekenhuis in Leeuwarden gebracht.
In de NDC van 22-9-1947 wordt de ingebruikname gemeld van een moderne ziekenauto door de fa. E. Weidenaar, er zit verlichting in, een brancard en hydraulische vering. “Hygiënisch en Gerieflijk”.
Onder invloed van de ziekenfondsen concentreerde zich later het vervoer in Dokkum en kreeg Stellema het ziekenvervoer. Toen bleef alleen taxi vervoer nog over.
Alhoewel, Weidenaar had ook een melkrit van Nijewier, Easternijtsjerk naar de melkfabriek in Moarre. Joeke van der Werf zou dit doen met een auto die daarvoor was klaar gemaakt, maar toen werd het oorlog en de auto werd in beslag genomen en naar Wesel in Duitsland gebracht. De twee paarden moesten weer voor de wagen. In de oorlog werkte Jan Weidenaar als monteur-chauffeur bij de NOF en Siemen zat twee jaar ondergedoken nadat hij bij Dokkumer Nieuwe Zijlen al eens was aangehouden.
Na de oorlog was er weer luxe vervoer (veel met landverhuizers) en de melkrit kreeg uitbreiding tot twee maal per dag een veel grotere route. Harke Kooistra en Daan Cuperus zaten veelal samen op die ritten. Langzamerhand werd het vervoer van materialen ingevoerd, veelal stenen (Nederland werd weer opgebouwd).
De nieuwe Ford en de oude legertruck van Austin kregen steeds meer werk; aardappelen uit de NOP (daar gebruikten boeren van hier land), bieten rijden, papier, veel kunstmest. De firma Weidenaar moest het na de oorlog hebben van de landbouw. In 1986 waren er vijf vrachtwagens in bedrijf.
Bron: Priuwkes út it ferline, 1986, Reinder Tolsma
Het verhaal van Pietje Weidenaar (26 jaar later)
In het kader van de aankomende reünie is er een gesprek met mevrouw Pietje Weidenaar – Postma. Zij is getrouwd geweest met Jan Weidenaar (Ϯ 7 september 2006). Samen hebben zij vier kinderen gekregen: Eelze (woont nu in Eastermar), Geke (woont nu in Marknesse), Durk (Lou Sânen) en Minke (De Lyts Ein). Er zijn nu 10 kleinkinderen en 20 achterkleinkinderen.
Foto Jan en Pietje Weidenaar (1989)
Hun transportbedrijf aan de Buorren was tot 1989 actief. Vroeger stond op die plaats een boerderij en to 1927 stond er een loods waar kunstmesthandel Slagter en Zwart in gehuisvest was.
Vanaf de begin twintiger jaren werd er door de familie Weidenaar een bedrijf in personenvervoer gestart. Dit vervoer werd eerst d.m.v. paard en wagen verzorgd. Klanten werden bijvoorbeeld naar het station in Mitselwier gebracht. Maar ook het vervoer naar begrafenissen en trouwerijen geschiedde met paard en wagen. In het begin van de jaren ’20 waren er ook plannen van Weidenaar om een busonderneming te beginnen. Dit idee werd ondersteund door Cornelis van der Lei uit Easternijtsjerk, hij was graag bereid mensen financieel te ondersteunen. Het idee was om passagiers van Dokkum naar Peazens en de daartussen gelegen dorpen te vervoeren. Omstreeks 1925 werd busonderneming Weidenaar in het leven geroepen. Er werd een Chevrolet bus gekocht (zie foto).
Op de foto van links naar rechts, Cornelis van der Lei (vaak pappa Kees genoemd), Wietze Rozendal (een belangstellende Easternijtsjerkster), Jan van der Lei (zoon van Cornelis) en buschauffeur Hendrik Groen.
Let op het bordje boven de voorruit: Dokkum-Paesens. Deze bus had zes zitplaatsen en vier staanplaatsen.
Midden jaren '30 werd er vanuit de overheid grote druk uitgeoefend op vele ondernemers om de bedrijven groter te maken. Zo ontstond in 1939 de NOF, Noord-Oost-Friese Autobusonderneming. De volgende bedrijven werkten samen in deze particuliere NV:
- Fa. van der Mei en Co. (Brouwer) Dokkum (lijn: Dokkum-Oudkerk-Leeuwarden)
- J. Jansen te Dokkum (lijn: Dokkum-Reitsum-Burdaard-Aldtsjerk-Leeuwarden)
- S. Woudstra Sr. te Oudkerk (lijn: Stienendam-Burdaard-Aldtsjerk-Leeuwarden)
- E. J. Weidenaar te Easternijtsjerk (Peazens-Easternijtsjerk-Dokkum)
- W. Holwerda te Eanjum (lijn: Oostmahorn-Eanjum-Mitselwier-Dokkum)
In 1941 moest het vervoer met personenbussen gestaakt worden, omdat de familie Weidenaar min of meer gedwongen werd om de bussen te verkopen aan de NOF. In 1941 besloten de directie en de aandeelhouders namelijk hun aandelen te verkopen aan de NV ATO (Algemene Transport Onderneming) te Utrecht. Deze verkoop ging in op 1 januari 1942 en werd notarieel vastgelegd op 24 april 1942.
Vanaf de beginjaren '30 kwamen ook de personenauto’s. In 1936 had Eelze Weidenaar sr. een aanvraag voor een ritje met mw. Foekje Gardenier, echtgenote van Gerrit Gardenier, de vestigingsdirecteur van de toenmalige Raiffaisenbank-Boerenleenbank in Easternijtsjerk, naar Groningen. Aangezien hij zelf niet in de gelegenheid was, vroeg hij zoon Jan om dit ritje te doen. Later kwam Gerrit Gardenier bij Eelze, omdat hij had gehoord dat Jan haar had gebracht en Jan was nog maar 17 jaar en had dus nog geen rijbewijs. Eelze zag het probleem niet, want er was immers niks gebeurd. Er werd wel afgesproken dat dit niet weer zou gebeuren.
De geschiedenis herhaalt zich soms, want later heeft Eelze jr. diverse keren, als zeventienjarige, medewerksters van de bank naar diverse vestigingen in de buurt gebracht. Dat gebeurde in opdracht van Piet Gardenier, jawel !!, de zoon van Gerrit Gardenier.
zie Foto Eelze junior en Eelze Weidenaar senior (1946)
2 x Ford V8 uit 1939.
Let op de kentekenplaat, iedere provincie had tot 1951 kentekenplaten met 1 of 2 letters en daarachter maximaal 5 cijfers. A was voor de provincie Groningen, B voor Fryslân enz.
Van 1941 tot 1945 legden de broers Jan en Siemen Weidenaar zich toe op het melkrijden. Meinte, de broer van Jan en Siemen, ging bij een ander bedrijf werken en is later naar Canada geëmigreerd. Ze haalden dan twee keer per dag de melkbussen bij de boeren vandaan. Eerst met paard en wagen, later met de vrachtauto. De volle bussen werden naar de zuivelfabriek in Moarre gebracht, bij de volgende rit werden de lege bussen weer bij de boer afgeleverd en de volle weer meegenomen. Ze kregen het geld wat de fabriek voor de melk betaalde mee in een zakje, dit zakje werd op één van de melkbussen gelegd. Als de volle melkbussen werden opgehaald bij de boeren, lag er zo nu en dan een dubbeltje of een stuiver op de rand van één van de melkbussen. Dit was een extraatje.
Op zeker ogenblik waren ze aan het melkrijden bij Eanjum, ze moesten dan ook altijd naar een boer met een agressieve hond. Eelze was mee en nog iemand. Deze, toen nog jongeman, bedacht zich geen ogenblik toen de hond weer achter hen aan kwam en gooide het deksel van een melkbus achterwaarts met volle kracht naar de hond. De hond werd vol geraakt met als resultaat dat ze niet weer werden belaagd door de hond, maar uiteindelijk werd de schuldige natuurlijk wel gepakt. Er bleek namelijk een deksel te weinig te zijn toen ze de melk bij de fabriek kwamen brengen!
Foto ' Siemen Weidenaar (1945)
In de oorlog werden ook joden naar onderduikadressen gebracht, met alle gevaren van dien. Vaak gebeurde dit met de taxi’s. Jan Weidenaar was van alle markten thuis, zo werd in 1946/1947 een Lincoln personenauto omgebouwd tot ambulance, deze klus werd geklaard in samenwerking met Siebe Postma (wagenmakerij Postma), de vader van Sjoerd Postma en opa van Siebe (autobedrijf Postma Mitselwier).
Foto Ambulance gebouwd in 1946/1947
Ondertussen werd de eerste vrachtwagen aangeschaft. In de beginperiode werden er heel veel dakpannen vanuit Limburg door het hele land vervoerd. In 1953 werd er bijna dag en nacht gereden om "drainagepypkes" van de fabriek in Scheemda naar Zeeland te brengen, de enorme vraag naar drainagemateriaal was een gevolg van de watersnoodramp (1953). Weidenaar transportbedrijf heeft veel graan vervoerd, dit werd toen nog bij de boer rechtstreeks vandaan gehaald. In de beginjaren '80 werden er veel bloembollen vervoerd en natuurlijk heel veel suikerbieten tijdens de bietencampagne.
Eelze had nog een leuke anekdote uit 1960/1961. Burgemeester Sijtsma van Oostdongeradeel was een vaste klant. Hij liet duidelijk merken dat hij meertalig was, want als ze richting Groningen reden sprak hij tot het bruggetje van Pieterzijl alleen maar Frysk. Zodra ze over het bruggetje waren begon hij Nederlands te spreken, dat zou natuurlijk toeval kunnen zijn, maar bij latere ritten bleek dat hij dit altijd deed. Een ritje vanuit Groningen begon in het Nederlands en werd vanaf het bewuste bruggetje vervolgd in het Frysk.
In 1965 kwamen Jan en Pietje aan De Buorren te wonen. Pietje Weidenaar heeft in ca. 1960 haar rijbewijs gehaald, zodat ze kon helpen met taxi rijden. Ze moest trouwrijden, naar begrafenissen en alle andere voorkomende ritten. Eelze Weidenaar sr. reed vroeger ook vaak naar Leeuwarden om de veehandelaren naar de veemarkt te rijden (deze konden zelf vaak niet rijden, omdat er op de veemarkt de nodige alcohol werd genuttigd).
Tot 2 februari 1981 kon men benzine tanken bij Weidenaar. Er werd eigenlijk nooit contant betaald aan de pomp, alles ging op rekening. Eén keer per halfjaar werd er een rekening uitgeschreven. De klanten kwamen van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat, altijd waren Jan en Pietje Weidenaar paraat. Soms bedienden klanten zichzelf, maar een enkeling kon deze weelde niet dragen. Er was op een bepaald moment een klant die voor 25 gulden zou tanken, maar mw. Weidenaar vond dat deze klant wel erg lang stond te tanken. Ze pakte de verrekijker en zag dat deze man voor een veel groter bedrag in de tank gooide, dus de betreffende persoon moest de volgende keer onder begeleiding tanken.
In 1989 zijn Jan en Siemen Weidenaar uit het bedrijf gestapt, vanwege de milieueisen moest het bedrijf naar een andere locatie verhuizen. Het “bodemonderzoek” werd iets anders uitgevoerd dan tegenwoordig. Er kwamen een paar ambtenaren die zo nu en dan een handvol modder pakten, ze gingen dan om de beurt aan de grond staan ruiken. Zoals bekend heeft Durk Weidenaar daarna in 1990 het transportbedrijf voortgezet tot en met 2005 aan de Griene Wei.
De Doarpsskille, maart 2012 Pieter J. Hoogland